|
|
|||||||||
|
|
|||||||||
|
Gemeenschappelijk Handboek Schengen, deel I Voorwaarden voor binnenkomst op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen EUROPESE WETGEVING EU Verordening nr. 562/2006 (Schengen Grenscode SGC) In deze verordening wordt verstaan onder: 2. "buitengrenzen": 4. "regelmatige veerverbinding": 5. "personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen": 6. "onderdaan van een derde land": 7. "met het oog op weigering van toegang gesignaleerde persoon": 8. "grensdoorlaatpost": 9. "grenstoezicht": 10. "grenscontroles": 11. "grensbewaking": 12. "tweedelijnscontrole": 13. "grenswachter": 14. "vervoerder": 16. "cruiseschip": 17. "pleziervaart": 18. "kustvisserij": 19. "gevaar voor de volksgezondheid": Overschrijden van de buitengrenzen 1. De buitengrenzen mogen slechts via de grensdoorlaatposten en gedurende de vastgestelde openingstijden worden overschreden. Aan de grensdoorlaatposten die niet 24 uur per etmaal open zijn, worden de openingstijden duidelijk aangegeven. 2. In afwijking van lid 1 kunnen op de verplichting om de buitengrenzen uitsluitend via de grensdoorlaatposten en gedurende de vastgestelde openingstijden te overschrijden, uitzonderingen worden toegestaan: 3. Onverminderd de uitzonderingen in lid 2 en de verplichtingen inzake internationale bescherming, stellen de lidstaten overeenkomstig hun nationaal recht sancties op het onrechtmatig overschrijden van de buitengrenzen buiten de grensdoorlaatposten en de vastgestelde openingstijden. Deze sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen 1. Voor onderdanen van derde landen gelden de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden: 3. Bij de beoordeling van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de duur en het doel van het verblijf, alsmede met de gemiddelde prijzen voor kost en inwoning in de betrokken lidstaat of lidstaten, bepaald op basis van een goedkoop verblijf, vermenigvuldigd met het aantal verblijfsdagen.
4. In afwijking van lid 1: Grenscontrole op personen 1. Het grensoverschrijdende verkeer aan de buitengrenzen wordt gecontroleerd door de grenswachters. De controle wordt verricht overeenkomstig dit hoofdstuk. De controle kan ook betrekking hebben op de vervoermiddelen en voorwerpen in het bezit van de personen die de grens overschrijden. Op elk onderzoek is de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat van toepassing. 2. Eenieder wordt aan een minimale controle onderworpen tot vaststelling van de identiteit op basis van de overgelegde of getoonde reisdocumenten. Deze minimale controle bestaat in een eenvoudig en snel onderzoek, voorzover opportuun met gebruikmaking van technische voorzieningen en door raadpleging, in de desbetreffende databanken, van informatie die uitsluitend betrekking heeft op gestolen, ontvreemde, verloren of ongeldig gemaakte documenten, naar de geldigheid van het document dat de rechtmatige houder recht van grensoverschrijding geeft en naar eventuele tekenen van namaak of vervalsing. De in de eerste alinea bedoelde minimale controle is de regel voor personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij personenverkeer vallen. 3. Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen aan een grondige controle onderworpen. a) De grondige controles bij binnenkomst behelzen de verificatie van de in artikel 5, lid 1, vermelde voorwaarden voor toegang, alsmede, eventueel, van de verblijfs- en werkvergunningen. In dat verband wordt nauwgezet onderzocht:I) of de onderdaan van een derde land in het bezit is van een document dat geldig is voor grensoverschrijding en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken en dat, in voorkomend geval, vergezeld gaat van het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning; II) of het reisdocument eventuele tekenen van namaak of vervalsing vertoont; III) aan de hand van de in- en uitreisstempels in het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land, en met name door vergelijking van de data van in- en uitreis, of de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten reeds heeft overschreden; IV) de plaats van vertrek en de plaats van bestemming van de betrokken onderdaan van een derde land, alsmede het doel van het voorgenomen verblijf, indien nodig met controle van de desbetreffende bewijsstukken; V) of de betrokken onderdaan van een derde land voor de geplande duur en het doel van het voorgenomen verblijf en voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, over voldoende middelen van bestaan beschikt dan wel of hij deze op rechtmatige wijze kan verkrijgen; VI) of de betrokken onderdaan van een derde land, diens vervoermiddel en de meegevoerde voorwerpen geen gevaar opleveren voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten. Bij die verificatie worden met name gegevens en signaleringen betreffende de betrokken personen en, zo nodig, voorwerpen rechtstreeks bij het Schengeninformatiesysteem (SIS) en de nationale opsporingsregisters opgevraagd en worden, in voorkomend geval, de bij die signalering passende maatregelen genomen. b) De grondige controles bij uitreis behelzen: I) de verificatie dat de onderdaan van een derde land in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument;II) de verificatie dat het reisdocument geen tekenen van namaak of vervalsing vertoont; III) voorzover mogelijk, de verificatie dat de onderdaan van een derde land niet wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten. c) Naast de onder b) bedoelde controles, kunnen grondige controles bij uitreis ook behelzen: I) de verificatie dat de betrokkene in het bezit is van een geldig visum, indien zulks op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 vereist is, tenzij de betrokkene houder is van een geldige verblijfsvergunning; ii) de verificatie dat de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten niet heeft overschreden;III) de raadpleging van signaleringen van personen en voorwerpen in het SIS en in de nationale opsporingsregisters. 4. Indien de nodige faciliteiten voorhanden zijn en de onderdaan van een derde land daarom verzoekt, vinden de bedoelde grondige controles in een privé-ruimte plaats. 5. Onderdanen van een derde land die aan een grondige tweedelijnscontrole worden onderworpen, worden op de hoogte gebracht van het doel en het verloop van deze controle. Afstempeling van de reisdocumenten van onderdanen van derde landen 1. De reisdocumenten van onderdanen van derde landen worden bij inreis en bij uitreis systematisch afgestempeld. Er wordt met name een inreis-, respectievelijk uitreisstempel aangebracht in: a) de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen die voorzien zijn van een geldig visum;b) de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen aan wie aan de grens een visum wordt afgegeven door een lidstaat; c) de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen die niet aan de visumplicht zijn onderworpen. 2. De reisdocumenten van onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie op wie Richtlijn 2004/38/EG van toepassing is, maar niet de in artikel 10 van die richtlijn bedoelde verblijfskaart kunnen overleggen, worden bij inreis of bij uitreis afgestempeld. De reisdocumenten van onderdanen van derde landen die familielid zijn van onderdanen van derde landen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij personenverkeer vallen, maar niet de in artikel 10 van Richtlijn 2004/38/EG bedoelde verblijfskaart kunnen overleggen, worden bij inreis of bij uitreis afgestempeld. 3. Er wordt geen in- of uitreisstempel aangebracht: c) in de reisdocumenten van zeelieden die slechts gedurende het afmeren van hun schip in de binnengevaren haven van een lidstaat verblijven; Vermoeden betreffende het voldoen aan voorwaarden inzake verblijfsduur 1. Wanneer in het reisdocument van een onderdaan van een derde land geen inreisstempel is aangebracht, mogen de bevoegde nationale autoriteiten hier het vermoeden aan verbinden dat de houder niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden inzake verblijfsduur die in de betrokken lidstaat van toepassing zijn. 2. Het in lid 1 bedoelde vermoeden kan worden weerlegd wanneer de onderdaan van een derde land op enigerlei wijze geloofwaardige bewijsmiddelen overlegt, zoals vervoerbewijzen of bewijzen van zijn aanwezigheid buiten het grondgebied van de lidstaten, waaruit blijkt dat hij de voorwaarden inzake de duur van een kort verblijf heeft nageleefd. In dergelijke gevallen geldt het volgende: 3. Wanneer het in lid 1 bedoelde vermoeden niet wordt weerlegd, kan de onderdaan van een derde land door de bevoegde autoriteiten van het grondgebied van de betrokken lidstaten worden verwijderd. Grensbewaking 1. De bewaking aan de buitengrenzen is vooral bedoeld om onrechtmatige grensoverschrijding te voorkomen, grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden en de toepassing of het nemen van maatregelen tegen illegaal binnengekomen personen mogelijk te maken. Weigering van toegang 1. Indien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 5, lid 1, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, en niet tot de in artikel 5, lid 4, genoemde categorieën personen behoort, wordt hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd. 2. De toegang kan alleen worden geweigerd in een met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd. De beslissing wordt genomen door een naar nationaal recht bevoegde instantie. Zij is onmiddellijk van toepassing. 3. Personen die de toegang wordt geweigerd, hebben het recht daartegen beroep in te stellen. Het instellen van beroep schort de beslissing tot weigering vantoegang niet op. Specifieke voorschriften voor de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die worden gebruikt om de buitengrenzen te overschrijden De specifieke voorschriften in bijlage VI zijn van toepassing op de controles met betrekking tot de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die worden gebruikt om de buitengrenzen te overschrijden. De bedoelde specifieke voorschriften kunnen afwijken van de bepalingen van de artikelen 5 en 7 tot en met 13. Specifieke voorschriften voor controles van bepaalde categorieën personen; 1. De specifieke voorschriften van bijlage VII zijn van toepassing op de volgende categorieën personen: Deze specifieke voorschriften kunnen afwijken van de bepalingen van de artikelen 5 en 7 tot en met 13.
BIJLAGE IV (Behorende bij de Schengen Grenscode) Afstempeling 1. Overeenkomstig artikel 10 worden de reisdocumenten van onderdanen van derde landen bij inreis en uitreis systematisch afgestempeld. 3. In geval van inreis en uitreis van onderdanen van derde landen die aan de visumplicht zijn onderworpen, wordt het stempel, indien mogelijk, op zodanige wijze aangebracht dat de rand van het visum bedekt is zonder dat de gegevens in het visum onleesbaar worden gemaakt of de zichtbare veiligheidskenmerken van de visumsticker worden beschadigd. Wanneer meerdere afstempelingen nodig zijn (bv. bij een visum dat voor meerdere binnenkomsten dient), worden deze op de bladzijde tegenover de visumbladzijde aangebracht. Als die bladzijde niet bruikbaar is, wordt het stempel op de volgende bladzijde aangebracht. BIJLAGE V (Behorende bij de Schengen Grenscode) Procedures voor weigering van toegang aan de grens 1. In geval van weigering van toegang moet de bevoegde grenswachter: a) het in deel B afgebeelde standaardformulier voor weigering van toegang invullen. De betrokken onderdaan van een derde land ondertekent het formulier en ontvangt een afschrift van het ondertekende formulier. Indien de onderdaan van een derde land weigert het formulier te ondertekenen, maakt de grenswachter daarvan melding in het vak "opmerkingen" op het formulier;b) in het paspoort een inreisstempel aanbrengen en dat met een kruis in zwarte onuitwisbare inkt doorhalen; aan de rechterkant vermeldt hij de redenen voor de weigering van toegang door de dienovereenkomstige letter(s) van het standaardformulier voor weigering van toegang eveneens in onuitwisbare inkt aan te brengen; c) in de in punt 2 bedoelde gevallen het visum annuleren door er het stempel "GEANNULEERD" op aan te brengen. 2. Het visum wordt in de volgende gevallen geannuleerd: a) indien de houder van het visum met het oog op weigering van toegang in het SIS staat gesignaleerd, tenzij de betrokkene houder is van een door een van de lidstaten afgegeven visum of terugkeervisum en hij toegang wenst met het oog op doorreis tot het grondgebied van de lidstaat die het document heeft afgegeven; b) indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het visum op onrechtmatige wijze is verkregen. Het feit dat de onderdaan van een derde land aan de grens niet alle in artikel 5, lid 2, bedoelde bewijsstukken kan overleggen, leidt niet automatisch tot een besluit tot annulering van het visum.3. Indien een onderdaan van een derde land aan wie de toegang wordt geweigerd, door een vervoerder naar de grens is gebracht, moet de bevoegde grenswachter: a) de vervoerder gelasten de betrokken onderdaan van een derde land onverwijld terug te nemen en naar het derde land te brengen van waaruit hij werd vervoerd of die het grensoverschrijdingsdocument heeft afgegeven, dan wel naar enig ander derde land waar hij zeker zal worden toegelaten, dan wel een vervoermiddel voor de terugreis te vinden overeenkomstig artikel 26 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985;b) in afwachting van de terugbrenging, overeenkomstig het nationaal recht en met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden, passende maatregelen treffen om te verhinderen dat onderdanen van een derde land aan wie de toegang is geweigerd, illegaal de lidstaat binnenkomen. BIJLAGE VI (Behorende bij de Schengen Grenscode) Specifieke voorschriften voor de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die voor de overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten worden gebruikt 3. Zeegrenzen 3.1. 3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.1.4. 3.1.5. 3.2. 3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. b) Indien het cruiseschip uit een in een derde land gelegen haven komt en opnieuw een op het grondgebied van een lidstaat gelegen haven aandoet, worden de bemanning en de passagiers aan inreiscontroles onderworpen op basis van de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers als bedoeld in punt 3.2.4, voorzover die lijsten zijn gewijzigd sinds het cruiseschip de vorige haven op het grondgebied van een lidstaat heeft aangedaan. Passagiers die aan land gaan, worden overeenkomstig artikel 7 aan inreiscontroles onderworpen, tenzij een beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie duidelijk maakt dat die controles niet hoeven te worden uitgevoerd. c) Indien het cruiseschip uit een in een lidstaat gelegen haven komt en een andere in een lidstaat gelegen haven aandoet, worden de passagiers die aan land gaan overeenkomstig artikel 7 aan inreiscontroles onderworpen indien dit na beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie noodzakelijk wordt bevonden. d) Indien een cruiseschip een in een lidstaat gelegen haven verlaat met als bestemming een haven in een derde land, worden de bemanning en de passagiers aan uitreiscontroles onderworpen op basis van de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers. Indien dit na beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie noodzakelijk wordt bevonden, worden de passagiers die aan boord gaan aan uitreiscontroles onderworpen overeenkomstig artikel 7. e) Indien een cruiseschip een in een lidstaat gelegen haven verlaat met als bestemming een in een lidstaat gelegen haven, vinden geen uitreiscontroles plaats. Dit belet niet dat op basis van een beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie controles van de bemanning en de passagiers van dat schip kunnen plaatsvinden. 3.2.4. b) geboortedatum; c) nationaliteit; d) nummer en soort reisdocument en, indien van toepassing, nummer van het visum. De gezagvoerder van het cruiseschip, of in diens plaats de scheepsagent, verstrekt de lijsten met de namen van de bemanningsleden en de passagiers ten minste 24 uur vóór de aankomst in elke haven op het grondgebied van de lidstaten of, indien de excursie naar die haven minder dan 24 uur in beslag neemt, onmiddellijk nadat de instapprocedure in de vorige haven is voltooid, aan de betrokken grenswachters. De lijst met de namen wordt afgestempeld in de eerste haven van binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten en nadien telkens wanneer deze wordt gewijzigd. De lijst met de namen wordt mede in aanmerking genomen bij de beoordeling van het veiligheidsrisico als bedoeld in punt 3.2.5. 3.2.6. 3.2.7. 3.2.8. In afwijking van de artikelen 4 en 7 hoeft de bemanning van vaartuigen die kustvisserij bedrijven en die dagelijks dan wel binnen 36 uur terugkeren naar de haven waar het vaartuig is ingeschreven of naar een andere haven op het grondgebied van de lidstaten, zonder dat een haven op het grondgebied van een derde land wordt aangedaan, niet systematisch te worden gecontroleerd. Naar gelang van de beoordeling van het risico van illegale immigratie, en met name wanneer de kusten van een derde land in de onmiddellijke nabijheid van het grondgebied van een lidstaat zijn gelegen, worden regelmatig controles verricht. Naar gelang van het risico wordt tot personencontroles en/of een fysiek onderzoek van het vaartuig overgegaan. 3.2.9. De bemanning van vaartuigen die kustvisserij bedrijven en die niet ingeschreven staan in een haven op het grondgebied van een lidstaat, wordt gecontroleerd volgens de voor zeelieden geldende voorschriften. De gezagvoerder geeft de bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval, kennis van iedere wijziging van de bemanningslijst en van de eventuele aanwezigheid van passagiers aan boord. V e e r v e r b i n d i n g e n 3.2.10. b) voetgangers worden apart gecontroleerd; c) passagiers van personenauto’s worden bij het voertuig gecontroleerd; d) passagiers van reisbussen worden als voetgangers behandeld. Voor controles verlaten deze personen de reisbus; e) chauffeurs en begeleiders worden bij het voertuig gecontroleerd. In beginsel wordt deze controle apart van de controle van de overige passagiers verricht; f) om een vlotte afwikkeling van de controles te garanderen, wordt in een voldoende aantal controleposten voorzien; g) de door de passagiers gebruikte vervoermiddelen en, in voorkomend geval, de lading en andere vervoerde voorwerpen, worden steekproefsgewijs gecontroleerd, met name met het oog op het opsporen van illegale immigranten; h) bemanningsleden van veerschepen worden op dezelfde wijze behandeld als bemanningsleden van koopvaardijschepen. BIJLAGE VII (Behorende bij de Schengen Grenscode) Bijzondere regels voor bepaalde categorieën personen 3. 3.1. 3.2. 6. 6.1. 6.2. 6.3.
|