English language
Nederlandse taal

home
bestemming
toelating
informatie
links

laatste nieuws
disclaimer

Gemeenschappelijk Handboek Schengen, deel I

Voorwaarden voor binnenkomst op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen

ArtikelOmschrijving
Artikel 1 Definities
Artikel 4 Overschrijden van de buitengrenzen
Artikel 5 Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
Artikel 7 Grenscontrole op personen
Artikel 10 Afstempeling van de reisdocumenten van onderdanen van derde landen
Artikel 11 Vermoeden betreffende het voldoen aan voorwaarden inzake verblijfsduur
Artikel 12 Grensbewaking
Artikel 13 Weigering van toegang
Artikel 18 Specifieke voorschriften voor de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die worden gebruikt om de buitengrenzen te overschrijden
Artikel 19 Specifieke voorschriften voor controles van bepaalde categorieën personen
BIJLAGE IV Afstempeling
BIJLAGE V Procedures voor weigering van toegang aan de grens
BIJLAGE VI Specifieke voorschriften voor de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die voor de overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten worden gebruikt
BIJLAGE VII Bijzondere regels voor bepaalde categorieën personen

EUROPESE WETGEVING
(Hieronder staan delen van de Schengen Grenscode weergegeven welke betrekking hebben op het Grenstoezicht in de zeehavens.)

EU Verordening nr. 562/2006 (Schengen Grenscode SGC)


Artikel 2 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

2. "buitengrenzen":
De landgrenzen, met inbegrip van de rivieren meergrenzen, de zeegrenzen alsmede de lucht-, rivier-, zee- en meerhavens van de lidstaten, voorzover zij geen binnengrenzen zijn;

4. "regelmatige veerverbinding":
Een veerverbinding tussen twee of meer havens op het grondgebied van de lidstaten waarbij geen havens buiten het grondgebied van de lidstaten worden aangedaan en waarbij personen en voertuigen worden vervoerd volgens een gepubliceerde dienstregeling

5. "personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen":
a) de burgers van de Unie in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag en de in Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (1) bedoelde onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer uitoefent; de onderdanen van derde landen en hun familieleden die, ongeacht hun nationaliteit, uit hoofde van overeenkomsten tussen de Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds, en die landen anderzijds, rechten inzake vrij verkeer genieten die gelijkwaardig zijn aan die van de burgers van de Unie;

6. "onderdaan van een derde land":
Eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag en niet onder de toepassing van punt 5 valt;

7. "met het oog op weigering van toegang gesignaleerde persoon":
Een onderdaan van een derde land die overeenkomstig en voor de doelstellingen van artikel 96 van de Schengenovereenkomst gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem (hierna "SIS" genoemd);

8. "grensdoorlaatpost":
Een door de bevoegde autoriteiten voor overschrijding van de buitengrenzen aangewezen doorlaatpost;

9. "grenstoezicht":
De overeenkomstig en voor het doel van deze verordening aan een grens uitgevoerde activiteit die uitsluitend wegens de voorgenomen of daadwerkelijke grensoverschrijding en dus niet om andere redenen wordt verricht, en die bestaat in controle en bewaking van de grens;

10. "grenscontroles":
De controles die aan de grensdoorlaatposten worden verricht om na te gaan of de betrokken personen, hun vervoermiddelen en de voorwerpen in hun bezit het grondgebied van de lidstaten mogen binnenkomen dan wel verlaten;

11. "grensbewaking":
De bewaking van de grenzen buiten de grensdoorlaatposten en de bewaking van de grensdoorlaatposten buiten de vastgestelde openingstijden om te voorkomen dat personen zich aan de grenscontroles onttrekken;

12. "tweedelijnscontrole":
Een verdere controle die op een speciale locatie kan worden verricht, apart van de locatie waar iedereen wordt gecontroleerd (eerste lijn);

13. "grenswachter":
Overheidsbeambte die overeenkomstig het nationaal recht werkzaam is bij een grensdoorlaatpost, langs de grens of in de onmiddellijke nabijheid daarvan en die overeenkomstig deze verordening en het nationaal recht het grenstoezicht uitoefent;

14. "vervoerder":
Een natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig personen vervoert;

16. "cruiseschip":
Een vaartuig dat een route volgt volgens een van tevoren vastgesteld programma dat toeristische activiteiten in de verschillende havens omvat en waarbij tijdens de reis in beginsel geen passagiers in- of ontschepen;

17. "pleziervaart":
Het gebruik van pleziervaartuigen voor sport of toerisme;

18. "kustvisserij":
Het voor de visvangst gebruiken van vaartuigen die dagelijks of binnen 36 uur in een op het grondgebied van een lidstaat gelegen haven terugkeren zonder daarbij een in een derde land gelegen haven aan te doen;

19. "gevaar voor de volksgezondheid":
Elke potentieel epidemische ziekte zoals gedefinieerd in de Internationale Gezondheidsregeling van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voorzover het gastland beschermende regelingen treft ten aanzien van de eigen onderdanen.


Artikel 4

Overschrijden van de buitengrenzen

1. De buitengrenzen mogen slechts via de grensdoorlaatposten en gedurende de vastgestelde openingstijden worden overschreden. Aan de grensdoorlaatposten die niet 24 uur per etmaal open zijn, worden de openingstijden duidelijk aangegeven.

2. In afwijking van lid 1 kunnen op de verplichting om de buitengrenzen uitsluitend via de grensdoorlaatposten en gedurende de vastgestelde openingstijden te overschrijden, uitzonderingen worden toegestaan:

a) in het kader van de pleziervaart of de kustvisserij;

b) voor zeelieden die van boord gaan om in de haven waar hun vaartuig heeft aangelegd of in de aanpalende gemeenten te verblijven;

d) voor personen of groepen van personen in geval van een onvoorziene noodsituatie.

3. Onverminderd de uitzonderingen in lid 2 en de verplichtingen inzake internationale bescherming, stellen de lidstaten overeenkomstig hun nationaal recht sancties op het onrechtmatig overschrijden van de buitengrenzen buiten de grensdoorlaatposten en de vastgestelde openingstijden. Deze sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.



Artikel 5

Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen

1. Voor onderdanen van derde landen gelden de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:

a) in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding;

b) indien vereist op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, in het bezit zijn van een geldig visum, behalve indien zij houder zijn van een geldige verblijfsvergunning;

c) het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;

d) niet met het oog op weigering van toegang in het SIS gesignaleerd zijn;

e) niet worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staan in de nationale databanken van de lidstaten.

3. Bij de beoordeling van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de duur en het doel van het verblijf, alsmede met de gemiddelde prijzen voor kost en inwoning in de betrokken lidstaat of lidstaten, bepaald op basis van een goedkoop verblijf, vermenigvuldigd met het aantal verblijfsdagen.

4. In afwijking van lid 1:
a) wordt onderdanen van derde landen die niet aan alle in lid 1bedoelde voorwaarden voor binnenkomst voldoen maar houder zijn van een door een lidstaat afgegeven verblijfstitel of terugkeervisum, dan wel, indien dit vereist is, van deze beide documenten, toegang met het oog op doorreis tot het grondgebied van de overige lidstaten verleend, zodat zij het grondgebied van de lidstaat kunnen bereiken die hun de verblijfstitel of het terugkeervisum heeft verstrekt, tenzij zij op de nationale signaleringslijst staan van de lidstaat waarvan zij de buitengrenzen willen overschrijden, met vermelding van de te nemen maatregelen die de binnenkomst of doorreis verhinderen;

b) kan onderdanen van derde landen die aan de in lid 1 genoemde voorwaarden, met uitzondering van onder b), voldoen en zich aan de grens aanbieden, toegang tot het grondgebied van de lidstaten worden verleend, indien aan de grens een visum wordt afgegeven overeenkomstig Verordening
(EG) nr. 415/2003 van de Raad van 27 februari 2003 betreffende de afgifte van visa aan de grens, inclusief aan transiterende zeelieden.

c) kan onderdanen van derde landen die niet aan een of meer van de in lid 1 genoemde voorwaarden voldoen, door een lidstaat toegang tot zijn grondgebied worden verleend op grond van humanitaire overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen.


Artikel 7

Grenscontrole op personen

1. Het grensoverschrijdende verkeer aan de buitengrenzen wordt gecontroleerd door de grenswachters. De controle wordt verricht overeenkomstig dit hoofdstuk. De controle kan ook betrekking hebben op de vervoermiddelen en voorwerpen in het bezit van de personen die de grens overschrijden. Op elk onderzoek is de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat van toepassing.

2. Eenieder wordt aan een minimale controle onderworpen tot vaststelling van de identiteit op basis van de overgelegde of getoonde reisdocumenten. Deze minimale controle bestaat in een eenvoudig en snel onderzoek, voorzover opportuun met gebruikmaking van technische voorzieningen en door raadpleging, in de desbetreffende databanken, van informatie die uitsluitend betrekking heeft op gestolen, ontvreemde, verloren of ongeldig gemaakte documenten, naar de geldigheid van het document dat de rechtmatige houder recht van grensoverschrijding geeft en naar eventuele tekenen van namaak of vervalsing. De in de eerste alinea bedoelde minimale controle is de regel voor personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij personenverkeer vallen.

3. Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen aan een grondige controle onderworpen.

a) De grondige controles bij binnenkomst behelzen de verificatie van de in artikel 5, lid 1, vermelde voorwaarden voor toegang, alsmede, eventueel, van de verblijfs- en werkvergunningen. In dat verband wordt nauwgezet onderzocht:

I) of de onderdaan van een derde land in het bezit is van een document dat geldig is voor grensoverschrijding en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken en dat, in voorkomend geval, vergezeld gaat van het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning;

II) of het reisdocument eventuele tekenen van namaak of vervalsing vertoont;

III) aan de hand van de in- en uitreisstempels in het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land, en met name door vergelijking van de data van in- en uitreis, of de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten reeds heeft overschreden;

IV) de plaats van vertrek en de plaats van bestemming van de betrokken onderdaan van een derde land, alsmede het doel van het voorgenomen verblijf, indien nodig met controle van de desbetreffende bewijsstukken;

V) of de betrokken onderdaan van een derde land voor de geplande duur en het doel van het voorgenomen verblijf en voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, over voldoende middelen van bestaan beschikt dan wel of hij deze op rechtmatige wijze kan verkrijgen;

VI) of de betrokken onderdaan van een derde land, diens vervoermiddel en de meegevoerde voorwerpen geen gevaar opleveren voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten. Bij die verificatie worden met name gegevens en signaleringen betreffende de betrokken personen en, zo nodig, voorwerpen rechtstreeks bij het Schengeninformatiesysteem (SIS) en de nationale opsporingsregisters opgevraagd en worden, in voorkomend geval, de bij die signalering passende maatregelen genomen.

b) De grondige controles bij uitreis behelzen:

I) de verificatie dat de onderdaan van een derde land in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument;

II) de verificatie dat het reisdocument geen tekenen van namaak of vervalsing vertoont;

III) voorzover mogelijk, de verificatie dat de onderdaan van een derde land niet wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten.

c) Naast de onder b) bedoelde controles, kunnen grondige controles bij uitreis ook behelzen:

I) de verificatie dat de betrokkene in het bezit is van een geldig visum, indien zulks op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 vereist is, tenzij de betrokkene houder is van een geldige verblijfsvergunning; ii) de verificatie dat de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten niet heeft overschreden;

III) de raadpleging van signaleringen van personen en voorwerpen in het SIS en in de nationale opsporingsregisters.

4. Indien de nodige faciliteiten voorhanden zijn en de onderdaan van een derde land daarom verzoekt, vinden de bedoelde grondige controles in een privé-ruimte plaats.

5. Onderdanen van een derde land die aan een grondige tweedelijnscontrole worden onderworpen, worden op de hoogte gebracht van het doel en het verloop van deze controle.


Artikel 10

Afstempeling van de reisdocumenten van onderdanen van derde landen

1. De reisdocumenten van onderdanen van derde landen worden bij inreis en bij uitreis systematisch afgestempeld. Er wordt met name een inreis-, respectievelijk uitreisstempel aangebracht in:

a) de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen die voorzien zijn van een geldig visum;

b) de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen aan wie aan de grens een visum wordt afgegeven door een lidstaat;

c) de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen die niet aan de visumplicht zijn onderworpen.

2. De reisdocumenten van onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie op wie Richtlijn 2004/38/EG van toepassing is, maar niet de in artikel 10 van die richtlijn bedoelde verblijfskaart kunnen overleggen, worden bij inreis of bij uitreis afgestempeld. De reisdocumenten van onderdanen van derde landen die familielid zijn van onderdanen van derde landen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij personenverkeer vallen, maar niet de in artikel 10 van Richtlijn 2004/38/EG bedoelde verblijfskaart kunnen overleggen, worden bij inreis of bij uitreis afgestempeld.

3. Er wordt geen in- of uitreisstempel aangebracht:

c) in de reisdocumenten van zeelieden die slechts gedurende het afmeren van hun schip in de binnengevaren haven van een lidstaat verblijven;

d) in de reisdocumenten van bemanningsleden en passagiers van cruiseschepen die overeenkomstig punt 3.2.3 van bijlage VI niet aan grenscontroles zijn onderworpen;

e) in de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van Andorra, Monaco en San Marino.

Op verzoek van een onderdaan van een derde land kan bij wijze van uitzondering worden afgezien van een in- of uitreisstempel, wanneer de afstempeling voor deze onderdaan tot ernstige moeilijkheden zou kunnen leiden.


Artikel 11

Vermoeden betreffende het voldoen aan voorwaarden inzake verblijfsduur

1. Wanneer in het reisdocument van een onderdaan van een derde land geen inreisstempel is aangebracht, mogen de bevoegde nationale autoriteiten hier het vermoeden aan verbinden dat de houder niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden inzake verblijfsduur die in de betrokken lidstaat van toepassing zijn.

2. Het in lid 1 bedoelde vermoeden kan worden weerlegd wanneer de onderdaan van een derde land op enigerlei wijze geloofwaardige bewijsmiddelen overlegt, zoals vervoerbewijzen of bewijzen van zijn aanwezigheid buiten het grondgebied van de lidstaten, waaruit blijkt dat hij de voorwaarden inzake de duur van een kort verblijf heeft nageleefd. In dergelijke gevallen geldt het volgende:

a) indien de onderdaan van een derde land zich bevindt op het grondgebied van één van de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen, vermelden de bevoegde autoriteiten, overeenkomstig het nationaal recht en de nationale praktijken, in het reisdocument van de onderdaan van een derde land op welke datum en welke plaats hij de buitengrens van één van de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen, heeft overschreden;

3. Wanneer het in lid 1 bedoelde vermoeden niet wordt weerlegd, kan de onderdaan van een derde land door de bevoegde autoriteiten van het grondgebied van de betrokken lidstaten worden verwijderd.


Artikel 12

Grensbewaking

1. De bewaking aan de buitengrenzen is vooral bedoeld om onrechtmatige grensoverschrijding te voorkomen, grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden en de toepassing of het nemen van maatregelen tegen illegaal binnengekomen personen mogelijk te maken.


Artikel 13

Weigering van toegang

1. Indien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 5, lid 1, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, en niet tot de in artikel 5, lid 4, genoemde categorieën personen behoort, wordt hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd.

2. De toegang kan alleen worden geweigerd in een met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd. De beslissing wordt genomen door een naar nationaal recht bevoegde instantie. Zij is onmiddellijk van toepassing.
Het ingevulde standaardformulier wordt verstrekt aan de betrokken onderdaan van een derde land, die met behulp van dit formulier de ontvangst van de beslissing tot weigering van toegang bevestigt.

3. Personen die de toegang wordt geweigerd, hebben het recht daartegen beroep in te stellen. Het instellen van beroep schort de beslissing tot weigering vantoegang niet op.


Artikel 18

Specifieke voorschriften voor de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die worden gebruikt om de buitengrenzen te overschrijden

De specifieke voorschriften in bijlage VI zijn van toepassing op de controles met betrekking tot de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die worden gebruikt om de buitengrenzen te overschrijden. De bedoelde specifieke voorschriften kunnen afwijken van de bepalingen van de artikelen 5 en 7 tot en met 13.


Artikel 19

Specifieke voorschriften voor controles van bepaalde categorieën personen;

1. De specifieke voorschriften van bijlage VII zijn van toepassing op de volgende categorieën personen:

c) zeelieden; f) minderjarigen.

Deze specifieke voorschriften kunnen afwijken van de bepalingen van de artikelen 5 en 7 tot en met 13.


BIJLAGE IV (Behorende bij de Schengen Grenscode)

Afstempeling

1. Overeenkomstig artikel 10 worden de reisdocumenten van onderdanen van derde landen bij inreis en uitreis systematisch afgestempeld.

3. In geval van inreis en uitreis van onderdanen van derde landen die aan de visumplicht zijn onderworpen, wordt het stempel, indien mogelijk, op zodanige wijze aangebracht dat de rand van het visum bedekt is zonder dat de gegevens in het visum onleesbaar worden gemaakt of de zichtbare veiligheidskenmerken van de visumsticker worden beschadigd. Wanneer meerdere afstempelingen nodig zijn (bv. bij een visum dat voor meerdere binnenkomsten dient), worden deze op de bladzijde tegenover de visumbladzijde aangebracht. Als die bladzijde niet bruikbaar is, wordt het stempel op de volgende bladzijde aangebracht.


BIJLAGE V (Behorende bij de Schengen Grenscode)

Procedures voor weigering van toegang aan de grens

1. In geval van weigering van toegang moet de bevoegde grenswachter:

a) het in deel B afgebeelde standaardformulier voor weigering van toegang invullen. De betrokken onderdaan van een derde land ondertekent het formulier en ontvangt een afschrift van het ondertekende formulier. Indien de onderdaan van een derde land weigert het formulier te ondertekenen, maakt de grenswachter daarvan melding in het vak "opmerkingen" op het formulier;

b) in het paspoort een inreisstempel aanbrengen en dat met een kruis in zwarte onuitwisbare inkt doorhalen; aan de rechterkant vermeldt hij de redenen voor de weigering van toegang door de dienovereenkomstige letter(s) van het standaardformulier voor weigering van toegang eveneens in onuitwisbare inkt aan te brengen;

c) in de in punt 2 bedoelde gevallen het visum annuleren door er het stempel "GEANNULEERD" op aan te brengen.

2. Het visum wordt in de volgende gevallen geannuleerd:

a) indien de houder van het visum met het oog op weigering van toegang in het SIS staat gesignaleerd, tenzij de betrokkene houder is van een door een van de lidstaten afgegeven visum of terugkeervisum en hij toegang wenst met het oog op doorreis tot het grondgebied van de lidstaat die het document heeft afgegeven; b) indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het visum op onrechtmatige wijze is verkregen. Het feit dat de onderdaan van een derde land aan de grens niet alle in artikel 5, lid 2, bedoelde bewijsstukken kan overleggen, leidt niet automatisch tot een besluit tot annulering van het visum.

3. Indien een onderdaan van een derde land aan wie de toegang wordt geweigerd, door een vervoerder naar de grens is gebracht, moet de bevoegde grenswachter:

a) de vervoerder gelasten de betrokken onderdaan van een derde land onverwijld terug te nemen en naar het derde land te brengen van waaruit hij werd vervoerd of die het grensoverschrijdingsdocument heeft afgegeven, dan wel naar enig ander derde land waar hij zeker zal worden toegelaten, dan wel een vervoermiddel voor de terugreis te vinden overeenkomstig artikel 26 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985;

b) in afwachting van de terugbrenging, overeenkomstig het nationaal recht en met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden, passende maatregelen treffen om te verhinderen dat onderdanen van een derde land aan wie de toegang is geweigerd, illegaal de lidstaat binnenkomen.

BIJLAGE VI (Behorende bij de Schengen Grenscode)

Specifieke voorschriften voor de verschillende soorten grenzen en de verschillende vervoermiddelen die voor de overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten worden gebruikt

3. Zeegrenzen

3.1.
Controle op de zeescheepvaart - algemene controleprocedures

3.1.1.
Schepen worden gecontroleerd in de haven van aankomst of van vertrek, aan boord van het vaartuig of in een daartoe ingerichte ruimte in de onmiddellijke nabijheid van het vaartuig. Overeenkomstig de terzake gesloten akkoorden kan de controle echter ook tijdens de vaart worden verricht, dan wel bij aankomst of vertrek van het vaartuig op het grondgebied van een derde land. Met deze controle wordt nagegaan of de bemanning en de passagiers aan de in artikel 5 bedoelde voorwaarden voldoen, onverminderd artikel 19, lid 1, onder c).

3.1.2.
De gezagvoerder, of in diens plaats de natuurlijke of rechtspersoon die de reder in al zijn functies als reder vertegenwoordigt (de scheepsagent), stelt een bemanningslijst en, in voorkomend geval, een passagierslijst in tweevoud op. Uiterlijk bij aankomst in de haven geeft hij deze lijst aan de grenswachters. Als deze lijsten in geval van overmacht niet aan de grenswachters kunnen worden overhandigd, wordt een kopie afgegeven bij de grensdoorlaatpost of bij de bevoegde scheepvaartautoriteiten, die deze onverwijld aan de grenswachters doen toekomen.

3.1.3.
Van beide lijsten wordt één exemplaar naar behoren afgetekend door de grenswachter en aan de gezagvoerder teruggegeven, die het tijdens de ligtijd op eenvoudig verzoek overlegt.

3.1.4.
De gezagvoerder, of in diens plaats de scheepsagent, meldt bij de bevoegde autoriteit onverwijld alle wijzigingen met betrekking tot de samenstelling van de bemanning of de passagiers. Voorts meldt de gezagvoerder onverwijld, en zo mogelijk vóór het binnenlopen van het vaartuig in de haven, de aanwezigheid van verstekelingen bij de bevoegde autoriteiten. De verstekelingen blijven evenwel onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder.

3.1.5.
De gezagvoerder stelt de grenswachters tijdig in kennis van de afvaart van het vaartuig overeenkomstig de in de betrokken haven geldende voorschriften; is zulks niet mogelijk, dan stelt hij de bevoegde scheepvaartautoriteiten hiervan in kennis. De grenswachters of de bevoegde scheepvaartautoriteiten nemen vervolgens het tweede exemplaar van de vooraf ingevulde en afgetekende lijst of lijsten terug.

3.2.
Specifieke controleprocedures voor bepaalde soorten zeeschepen

C r u i s e s c h e p e n

3.2.1.
De gezagvoerder van een cruiseschip, of in diens plaats de scheepsagent, verstrekt de vaarroute en het programma van de cruise ten minste 24 uur vóór de afvaart uit de haven van vertrek en vóór de aankomst in de volgende haven op het grondgebied van de lidstaten aan de betrokken grenswachters.

3.2.2.
Indien op de vaarroute van een cruiseschip uitsluitend havens op het grondgebied van de lidstaten liggen, worden in afwijking van de artikelen 4 en 7 geen grenscontroles verricht en mag het cruiseschip aanleggen in havens die niet als grensdoorlaatpost zijn aangemerkt. Dit belet niet dat, op basis van een beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie, controles van de bemanning en de passagiers van deze schepen mogen worden verricht.

3.2.3.
Indien op de vaarroute van een cruiseschip zowel havens op het grondgebied van de lidstaten als havens in derde landen liggen, worden de grenscontroles in afwijking van artikel 7 als volgt uitgevoerd.

a) Indien het cruiseschip uit een in een derde land gelegen haven komt en voor het eerst een haven op het grondgebied van een lidstaat aandoet, worden de bemanning en de passagiers aan inreiscontroles onderworpen op basis van de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers als bedoeld in punt 3.2.4. Passagiers die aan land gaan, worden overeenkomstig artikel 7 aan inreiscontroles onderworpen, tenzij een beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie uitwijst dat die controles niet hoeven te worden uitgevoerd.

b) Indien het cruiseschip uit een in een derde land gelegen haven komt en opnieuw een op het grondgebied van een lidstaat gelegen haven aandoet, worden de bemanning en de passagiers aan inreiscontroles onderworpen op basis van de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers als bedoeld in punt 3.2.4, voorzover die lijsten zijn gewijzigd sinds het cruiseschip de vorige haven op het grondgebied van een lidstaat heeft aangedaan. Passagiers die aan land gaan, worden overeenkomstig artikel 7 aan inreiscontroles onderworpen, tenzij een beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie duidelijk maakt dat die controles niet hoeven te worden uitgevoerd.

c) Indien het cruiseschip uit een in een lidstaat gelegen haven komt en een andere in een lidstaat gelegen haven aandoet, worden de passagiers die aan land gaan overeenkomstig artikel 7 aan inreiscontroles onderworpen indien dit na beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie noodzakelijk wordt bevonden.

d) Indien een cruiseschip een in een lidstaat gelegen haven verlaat met als bestemming een haven in een derde land, worden de bemanning en de passagiers aan uitreiscontroles onderworpen op basis van de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers. Indien dit na beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie noodzakelijk wordt bevonden, worden de passagiers die aan boord gaan aan uitreiscontroles onderworpen overeenkomstig artikel 7.

e) Indien een cruiseschip een in een lidstaat gelegen haven verlaat met als bestemming een in een lidstaat gelegen haven, vinden geen uitreiscontroles plaats. Dit belet niet dat op basis van een beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie controles van de bemanning en de passagiers van dat schip kunnen plaatsvinden.

3.2.4.
Op de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers worden vermeld:

a) familienaam en voornaam;

b) geboortedatum;

c) nationaliteit;

d) nummer en soort reisdocument en, indien van toepassing, nummer van het visum.

De gezagvoerder van het cruiseschip, of in diens plaats de scheepsagent, verstrekt de lijsten met de namen van de bemanningsleden en de passagiers ten minste 24 uur vóór de aankomst in elke haven op het grondgebied van de lidstaten of, indien de excursie naar die haven minder dan 24 uur in beslag neemt, onmiddellijk nadat de instapprocedure in de vorige haven is voltooid, aan de betrokken grenswachters. De lijst met de namen wordt afgestempeld in de eerste haven van binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten en nadien telkens wanneer deze wordt gewijzigd. De lijst met de namen wordt mede in aanmerking genomen bij de beoordeling van het veiligheidsrisico als bedoeld in punt

P l e z i e r v a a r t

3.2.5.
In afwijking van de artikelen 4 en 7 worden personen aan boord van pleziervaartuigen die uit een in een lidstaat gelegen haven komen of naar een in een lidstaat gelegen haven afvaren, niet aan grenscontroles onderworpen en mogen zij een haven binnengaan die niet als grensdoorlaatpost is aangemerkt. Naar gelang van de beoordeling van het risico van illegale immigratie, en met name wanneer de kusten van een derde land in de onmiddellijke nabijheid van het grondgebied van een lidstaat zijn gelegen, worden controles van deze personen en/of een fysiek onderzoek van het vaartuig verricht.

3.2.6.
In afwijking van artikel 4 mag een pleziervaartuig dat uit een derde land komt, bij wijze van uitzondering een haven binnenlopen die niet als grensdoorlaatpost is aangemerkt. In dat geval stellen de personen aan boord van dat vaartuig de havenautoriteiten daarvan in kennis, opdat hun de toestemming kan worden gegeven de bedoelde haven binnen te gaan. De havenautoriteiten melden de aankomst van het vaartuig aan de autoriteiten van de dichtstbijzijnde als grensdoorlaatpost aangemerkte haven. De gegevens betreffende de passagiers worden aan de havenautoriteiten meegedeeld door overlegging van de lijst van opvarenden. Deze lijst wordt uiterlijk bij aankomst ter beschikking gesteld van de grenswachters. Wanneer een pleziervaartuig dat uit een derde land komt in geval van overmacht verplicht is aan te meren in een haven die niet als grensdoorlaatpost is aangemerkt, melden de havenautoriteiten de aanwezigheid van het vaartuig aan de autoriteiten van de dichtstbijzijnde als grensdoorlaatpost aangemerkte haven.

3.2.7.
Bij die controle wordt een document overhandigd waarop alle technische gegevens en de namen van alle opvarenden zijn vermeld. Eén exemplaar van dit document wordt overhandigd aan de autoriteiten van de inreis- en uitreishavens. Zolang het schip in de territoriale wateren van één van de lidstaten blijft, wordt één exemplaar van dit document bij de scheepspapieren bewaard.

K u s t v i s s e r i j

3.2.8. In afwijking van de artikelen 4 en 7 hoeft de bemanning van vaartuigen die kustvisserij bedrijven en die dagelijks dan wel binnen 36 uur terugkeren naar de haven waar het vaartuig is ingeschreven of naar een andere haven op het grondgebied van de lidstaten, zonder dat een haven op het grondgebied van een derde land wordt aangedaan, niet systematisch te worden gecontroleerd. Naar gelang van de beoordeling van het risico van illegale immigratie, en met name wanneer de kusten van een derde land in de onmiddellijke nabijheid van het grondgebied van een lidstaat zijn gelegen, worden regelmatig controles verricht. Naar gelang van het risico wordt tot personencontroles en/of een fysiek onderzoek van het vaartuig overgegaan.

3.2.9. De bemanning van vaartuigen die kustvisserij bedrijven en die niet ingeschreven staan in een haven op het grondgebied van een lidstaat, wordt gecontroleerd volgens de voor zeelieden geldende voorschriften. De gezagvoerder geeft de bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval, kennis van iedere wijziging van de bemanningslijst en van de eventuele aanwezigheid van passagiers aan boord.

V e e r v e r b i n d i n g e n

3.2.10.
Personen aan boord van vaartuigen die veerverbindingen met havens in derde landen verzorgen, worden aan controle onderworpen. Hiervoor gelden de volgende voorschriften:

a) indien mogelijk, voorzien de lidstaten in gescheiden doorgangen, overeenkomstig artikel 9;

b) voetgangers worden apart gecontroleerd;

c) passagiers van personenauto’s worden bij het voertuig gecontroleerd;

d) passagiers van reisbussen worden als voetgangers behandeld. Voor controles verlaten deze personen de reisbus;

e) chauffeurs en begeleiders worden bij het voertuig gecontroleerd. In beginsel wordt deze controle apart van de controle van de overige passagiers verricht;

f) om een vlotte afwikkeling van de controles te garanderen, wordt in een voldoende aantal controleposten voorzien;

g) de door de passagiers gebruikte vervoermiddelen en, in voorkomend geval, de lading en andere vervoerde voorwerpen, worden steekproefsgewijs gecontroleerd, met name met het oog op het opsporen van illegale immigranten;

h) bemanningsleden van veerschepen worden op dezelfde wijze behandeld als bemanningsleden van koopvaardijschepen.


BIJLAGE VII (Behorende bij de Schengen Grenscode)

Bijzondere regels voor bepaalde categorieën personen

3.
Zeelieden

3.1.
(Passagieren) In afwijking van de artikelen 4 en 7, mogen de lidstaten zeelieden die in het bezit zijn van een identiteitsbewijs voor zeelieden, afgegeven overeenkomstig het Verdrag van Genève van 19 juni 2003 (nr. 185), het Verdrag van Londen van 9 april 1965 en de terzake strekkende nationale bepalingen, toestaan het grondgebied van de lidstaten binnen te komen door van boord te gaan om in de gemeente waar hun vaartuig heeft aangelegd of in een aangrenzende gemeente te vertoeven, zonder dat zij zich bij een grensdoorlaatpost hoeven te melden, op voorwaarde dat zij voorkomen op de bemanningslijst van het vaartuig waartoe zij behoren en dat die lijst eerder door de bevoegde autoriteiten is gecontroleerd. Dit belet niet dat, naar gelang van de beoordeling van het veiligheidsrisico of het risico van illegale immigratie, zeelieden door de grenswachters aan een controle overeenkomstig artikel 7 worden onderworpen voordat zij het vaartuig verlaten. Indien een zeeman een bedreiging voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de volksgezondheid vormt, kan hem het recht worden ontzegd het vaartuig te verlaten.

3.2.
Zeelieden die zich buiten de in de nabijheid van de haven gelegen gemeenten wensen te begeven, moeten voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten als bedoeld in artikel 5, lid 1.

6.
Minderjarigen

6.1.
De grenswachters besteden bijzondere aandacht aan al dan niet begeleide minderjarigen. Minderjarigen die een buitengrens overschrijden, worden bij in- en bij uitreis aan dezelfde controles op grond van deze verordening onderworpen als volwassenen.

6.2.
Wanneer het een begeleide minderjarige betreft, gaat de grenswachter na of de begeleidende volwassene het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefent, in het bijzonder wanneer de minderjarige door slechts één volwassene wordt begeleid en er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat de minderjarige onwettig is onttrokken aan het toezicht van de persoon of personen die wettelijk het ouderlijke gezag over hem uitoefenen. In dat geval verricht de grenswachter verder onderzoek, teneinde eventuele onverenigbare of tegenstrijdige elementen in de verstrekte inlichtingen te ontdekken.

6.3.
Wanneer een minderjarige alleen reist, zorgt de grenswachter ervoor, door middel van een grondige controle van de reisdocumenten en de bewijsstukken, dat de minderjarige het grondgebied niet verlaat tegen de wil van de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen.

top van de pagina